CBb verlaagt mestboetes vanwege draagkracht

Datum gepubliceerd: woensdag, 15 juni 2022 Ga terug naar het overzicht

RVO legde in 2017 drie mestboetes met een totaal bedrag van ruim € 234.000 op aan een landbouwer wegens overtreding van de Meststoffenwet. Deze boetes stonden in rechte vast. In 2019 verzocht de landbouwer om herziening van boetes. Pas in hoger beroep leidde dit tot succes.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven vond dat het in stand laten van de boetes evident onredelijk was. Zij achtte het voldoende aannemelijk dat de opgelegde boetes de financiële draagkracht van de landbouwer ver te boven gingen. Volgens de getroffen betalingsregeling – de landbouwer betaalde € 250 per maand – zou afbetaling van het totale boetebedrag 78 jaar duren. Bovendien zou handhaving van de boetes het voortbestaan van het bedrijf van de landbouwer bedreigen.

Volgens RVO beoordeelt zij de financiële draagkracht alleen als een beroep op verminderde draagkracht wordt gedaan. Het College oordeelde echter dat RVO gezien de totale hoogte van de boetebedragen in samenhang bezien met de omvang van het bedrijf, uit eigen beweging de financiële positie van de landbouwer bij de besluitvorming (voornemen opleggen boete, beoordeling verzoek herziening) had moeten betrekken. Voorafgaand aan de boeteoplegging had zij gegevens moeten verzamelen die nodig zijn voor de beoordeling of de boete, mede gelet op de financiële draagkracht van de landbouwer, geen onevenredige gevolgen heeft.

Het College herriep de boetebesluiten en stelde het totaalbedrag van de boetes vast op het bedrag dat tot op heden door de landbouwer was betaald.